Bert Jansma
Een podium voor jazz
Ik heb gemerkt dat ik de laatste tijd heel wat overredingskracht nodig heb als het onderwerp Den Haag culturele hoofdstad ter sprake komt. Natuurlijk zijn de hoofden bijna suf gebonkt omdat het al maanden over geld-geld-geld gaat. Natuurlijk schaam je je rot dat er bezuinigd wordt op waar een samenleving het kwetsbaarst en het leukst tegelijkertijd is, cultuur. En natuurlijk krijgen velen daardoor iets zelfbeschermends, ontwijkends. Van: nou even niet. Den Haag heeft vaak een gebrek aan zelfgevoel, aan trots. Plus het talent om mooie dingen te laten schieten.
Er is geen stad waar een jazzmuzikant zoveel kan 'jammen' als in Den Haag. In het seizoen klinkt de hele week door wel ergens jazz. Heeft geen enkele andere stad. In Nederland niet, nergens niet.
In de jaren vijftig had Den Haag een eigen, Internationale Filmweek. Verdwenen. We hadden het Holland Festival hier. Geen geld meer voor. Crossing Border waren we even kwijt, maar hebben we gelukkig terug. We hadden dertig jaar lang het North Sea Jazz festival waar nu Rotterdam mee op z'n tamtam slaat. Oud zeer, maar na de financiële puinhoop die het vervangende The Hague Jazz dit jaar achterliet, opnieuw schrijnend.
Jazz, toch een trots van Den Haag? De gemeentelijke afdeling marketing heeft het al eens officieel benadrukt: Den Haag Jazzstad. 'Het New Orleans van de Lage Landen', schreef Arie van Breda ooit ('100 jaar jazz in Den Haag'). Dat was de tijd dat oude stijl-orkesten hier floreerden en Louis Armstrong nog in de Haagse Jazzclub te gast was. Den Haag is allang stad van ándere jazz. Bop, modern en swing.
Er is geen stad waar een jazzmuzikant zoveel kan 'jammen' als in Den Haag. In het seizoen klinkt de hele week door wel ergens jazz. Heeft geen enkele andere stad. In Nederland niet, nergens niet. Het waren een Ier en een Amerikaan - gitarist Dan Nicholas en bassist Johnny Daly – die me dat nog eens onder de neus wreven. Zij organiseren hun Equinox-concertjes-plus-jamsessies in de stad (café-restaurant Pavlov o.a.). Ongesubsidieerde vrijbuiters met Ausdauer, want ze doen het al een paar jaar. We hebben twee of driemaal per week jazz in de Regentenkamer, mondjesmaat gesponsord, we hebben Murphy's Law, op maandag de Haagse huiskamer van de jazz. We hebben café De Kikker waar jonge jazzmusici bijna dagelijks hun conservatoriumstudie in de praktijk brengen. Fantastisch, al die privé-intiatieven, de humuslaag voor een jazzcultuur.
Maar er ontbreekt iets. En dan heb ik even níet over een festival. Maar over een jazzpodium. Want het is pijnlijk om te zien hoeveel succesvolle Nederlandse groepen Den Haag niet aandoen omdat dat er niet is. Groepen die je niet in een café kan neerplempen. Volwassen muzikanten met een uitgebalanceerde muzikale taal. Stichting Prospero vangt dat deels op, maar progammeert maar een enkele keer per maand, op verschillende plekken. Nee, een doodgewoon, middelgroot podium dat een of twee keer per week concertjazz brengt. À la Lantaren/Het Venster in (alweer) Rotterdam.
O.k., we hebben het pistool van de bezuiniging in de rug, maar dát moet toch kunnen? Geen nieuw gebouw, geen extra geld. Neem een bestaand podium en gebruik het budget uit de pot 'mislukte festivals'. Dan zou ik bij die culturele hoofdstad-gesprekken althans wat de jazz betreft de rug kunnen rechten.





